VON-VISIE
De
Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands (VON vzw) bestaat in Vlaanderen
sinds november 1970. VON is een pluralistische vereniging waarin leden uit
diverse netten, sectoren en richtingen kunnen samenwerken.
De
VON richt zich tot al wie in een bepaalde onderwijsvorm lerenden begeleidt.
Bovendien heeft VON een belangrijke doorstromingsfunctie. Ze wil ideeën en
werkvormen uit het onderwijs, de volwassenenvorming, de communicatiesector, de
psychosociale begeleiding en het wetenschappelijk onderzoek doorgeven op een
aangepaste en didactisch bruikbare wijze. Voor VON is elke leerkracht trouwens
ook een leerkracht Nederlands.
De
VON is geen syndicale vereniging, maar een vereniging van al degenen die in en
rond Nederlands werken (leraren, begeleiders, inspectiewerkers, ouders,
materiaalontwikkelaars…). Het belang van de lerenden en de taalgebruikers staat
hierbij centraal. VON zet zich daarom in voor fundamentele gelijkberechtiging
van alle lerenden en taalgebruikers, ongeacht hun individuele, sociale of
culturele achtergrond. Alle vormen van taalgebruik die sociale ongelijkheid,
vooroordelen of onrechtvaardigheid bevestigen en in stand houden, moeten worden
bestreden.
De
werking van de VON steunt op vijf actiepunten:
–
De leerkracht
informeren en ondersteunen met een eigen tijdschrift, VONK, en een website, www.von.be.
–
De actualiteit van het onderwijs in het
Nederlands op de voet volgen en kritische standpunten innemen: een ideologische
denktank zijn die communiceert via het tijdschrift en de website.
–
Initiatieven ondersteunen die
bijdragen tot de nascholing en professionalisering van de leraar.
–
Inhoudelijke ondersteuning bieden aan
diverse centra voor lerarenopleiding en nascholing.
–
Contacten onderhouden met andere
verenigingen en instellingen in binnen- en buitenland.
VON
richt zich tot alle leerkrachten, van de basisschool tot het hoger onderwijs.
Het tijdschrift VONK verschijnt vijf keer per jaar en een jaargang telt
ongeveer 350 pagina's. Minstens een van de vijf nummers is een themanummer.
Elk
nummer bevat een viertal hoofdartikels waarin de nieuwste theoretische
ontwikkelingen in de didactiek Nederlands worden voorgesteld en naar de
klaspraktijk toe worden vertaald.
De
mens is in voortdurende evolutie, zowel individueel als sociaal. Op elk moment
van zijn ontwikkeling is hij verbonden met zijn omgeving. Hij beschikt over
begrensde mogelijkheden om de maatschappelijke structuren te veranderen.
Iedereen moet worden aangespoord om zich sociaal in te zetten en ook kansarmen
optimale kansen te geven.
Onderwijs
en vorming zijn een voortdurend proces van zelfontplooiing. Ieder moet leren
zijn mogelijkheden te ontwikkelen en zijn eigen leerproces bij te sturen. Leren
is immers actief en productief. Het is geen passief proces van
informatieverwerving.
Het
einddoel van die vorming willen we formuleren in vaardigheden en attitudes. Van
wezenlijk belang is de kritische instelling, d.w.z. de bereidheid om al het
bestaande principieel ter discussie te stellen. Dat is immers de basis voor een
democratisch samenleven. De sociale zin vormt het tegengewicht van een te
eenzijdige kritische instelling en is gericht op de zelfontplooiing van de
anderen. Om eerlijk en kritisch te kunnen zijn en om sociaal te zijn zonder een
deel van de persoonlijkheid te verliezen, is authenticiteit nodig. Dit
veronderstelt eerlijkheid tegenover zichzelf in confrontatie met anderen.
Zelfreflectie vormt een essentieel onderdeel van deze kritische zin.
De
ontwikkeling van de creativiteit is een uniek middel om de eigen grenzen te
verleggen. Het is de motor voor individuele ontplooiing en maatschappelijke
vernieuwing. Creativiteit is zeker niet beperkt tot het artistieke domein.
Taal
maakt een van de belangrijkste vormen van communicatie tussen individuen
mogelijk. Taal geeft de mens de kans mee te functioneren in de maatschappij.
Taalonderwijs is hét middel om te beschermen tegen indoctrinatie, manipulatie
en racisme, en om zelfredzaam te kunnen zijn.
In
het taalonderwijs moet aandacht worden besteed aan alle functies van taal. Om
de taalvaardigheid te bevorderen, geven we de voorkeur aan een actief
leerproces. De lerende moet echt aan het leerproces deelnemen. Zo kan de
training in vaardigheden en attitudes centraal staan. Hierbij is een strikte
vakkenscheiding niet altijd wenselijk. Taal wordt immers ook gebruikt en
geleerd in andere vakken dan het vak Nederlands; alle vormen van communicatie moeten
aan bod kunnen komen.
Vertrekkend
vanuit de idee dat onderwijs normaalfunctioneel en actief moet zijn, is de stap
naar vakoverschrijdend onderwijs niet groot. Rond bepaalde onderwerpen kunnen
projecten worden uitgebouwd waarbij op een normaalfunctionele manier allerlei
activiteiten kunnen worden georganiseerd. In die activiteiten kunnen alle
componenten van het onderwijs van het Nederlands (vaardigheden, taalbeschouwing
en literatuur) aan bod komen. Binnen de projecten wordt vooral gerekend op de actieve
inzet van de leerlingen, zodat er ook aan positieve attitudevorming kan worden
gewerkt.
VON
heeft door de jaren heen een eigen visie ontwikkeld op de drie componenten van
het onderwijs van het Nederlands, namelijk taalvaardigheden, taalbeschouwing
en literatuur. Hoewel ze hier afzonderlijk worden beschreven, is het
geenszins de bedoeling ze in het onderwijs geïsoleerd te behandelen. Ze moeten
door de leerkracht worden geïntegreerd.
Onderwijs
moet leerlingen voorbereiden op alle communicatiesituaties buiten of binnen het
onderwijs. Leerlingen moeten daarom zowel schoolse als functionele en
professionele taalvaardigheden ontwikkelen. De professionele, sociale en
studie-taalvaardigheden zijn trouwens van groot belang voor de functionele, die
in het dagelijkse leven geregeld moeten worden toegepast. Voor de louter
professionele of studie-taalvaardigheden kan worden vertrokken van arbeids- of
studiesituaties. Tijdens het aanleren van taalvaardigheden moet aandacht worden
geschonken aan het ontwikkelen van verantwoordelijkheidszin, zin voor
initiatief, efficiënt communiceren, probleemoplossend werken,
conflictbeheersing en in team samenwerken. Ook zelfsturend leren leidt tot een
grotere zelfredzaamheid.
Het
spreekt voor zich dat taalvaardigheden het beste communicatief worden
aangeleerd. Enkel door het creatief beleven en het 'doen, handelen' kan een
vaardigheid worden eigengemaakt en een attitude worden ontwikkeld.
Werken
met ICT leert de leerling niet alleen iets bij, maar verscherpt zijn inzicht om
taken uit te voeren en zijn eigen deelname te observeren. Bovendien kan het
vakoverschrijdend werken hier niet genoeg worden beklemtoond. Ook in andere
vakken gebruikt men diverse taalvaardigheden, van het begrijpen van
instructietaal tot noteren. Door aandacht te schenken aan gevarieerde
werkvormen in verschillende communicatiesituaties wordt de motivatie verhoogd
en het resultaat verbeterd.
Evalueren
moet op die manier terdege rekening houden met het proces, hoewel ook het
product gepaste aandacht verdient.
VON
steunt onvoorwaardelijk de idee om door middel van taalbeschouwing het
taalgebruik van de leerlingen te verbeteren. Niettemin is taalgebruik de
noodzakelijke basis van waaruit de leerlingen kunnen reflecteren over taal en
inzicht verwerven in het taalsysteem. Didactisch ligt de nadruk op het
zelfontdekkend, probleemoplossend leren van de leerling en de inductieve aanpak
van de leerkracht.
Leerlingen
moeten niet enkel in taal kunnen handelen, maar er ook bij stilstaan wat ze op
dat moment aan het doen zijn. Taalbeschouwing is voor VON de aanzet om de
vaardigheden uit het dagelijkse leven of beroep te overstijgen. Het zet een
stap verder dan het communiceren of het werken met de taalvaardigheden.
Taalbeschouwing
moet geïntegreerd worden in literatuur- of taalvaardigheidslessen en vormt geen
onderdeel op zich. Het drillen van vaardigheden doet elke zin en motivatie te
niet, maar het gepast aanbieden van een reflectiemoment wanneer men met een
activiteit bezig is, zal het inzicht in wat men aan het doen is, verstevigen.
Dus hier ook geen losstaande of levensvreemde situaties, maar verbanden met een
werkelijkheid, al of niet uit het leven van de leerlingen gegrepen.
Taalbeschouwing leidt uiteindelijk tot reflectie of zelfreflectie.
Volgens
VON is en blijft de literaire component van het onderwijs van het Nederlands
van groot belang. Daarom willen wij ook dat het literatuuronderwijs blijft en
wel voor alle leerlingen, ook voor de uitgesproken technische en beroepsrichtingen.
Literatuuronderwijs
moet in de eerste plaats gaan om de genietende leeservaring, het leesplezier
moet in alle omstandigheden op de voorgrond staan. Dat betekent dat de
literaire teksten zo moeten worden gekozen dat ze de jongeren aanspreken en
onmiddellijk moeten aansluiten bij de interesse en ervaringen van de
leerlingen, zodat ze zich makkelijk kunnen inleven in de personages en de
situaties. Daarom pleiten wij ervoor dat in het literatuuronderwijs de leerling
centraal staat en niet de tekst of de idee. Daarbij is het natuurlijk ook van
het grootste belang dat literatuur met de nodige creativiteit wordt aangebracht
en dat men zich niet beperkt tot 'het lezen en bespreken van de tekst'.
Het
is hierbij noodzakelijk dat deze component niet wordt geïsoleerd binnen het
onderwijs van het Nederlands. Literatuur biedt unieke invalshoeken waarbij
steeds het verband kan worden gelegd naar vaardigheden en taalbeschouwing, maar
ook naar andere vakken.
Een
andere noodzaak is ook dat de leerkracht op de hoogte blijft van wat er leeft
bij de jongeren en welk materiaal er bestaat om op die leefwereld in te spelen.
Naast
het puur genietend lezen moet het literatuuronderwijs ook emancipatorisch
werken: literatuur kan de kijk van de leerling op zichzelf en de hem omringende
wereld verrijken. Daarom is het educatief ontwerpen belangrijk bij het werken
met teksten. De literaire tekst moet steeds betrokken worden op de culturele,
esthetische realiteit buiten de tekst. Door de confrontatie met zichzelf en de
ideeën van anderen moet het literatuuronderwijs de leerlingen bewuster en
mondiger maken, en hun horizon verruimen, en leiden tot een bewustere omgang
met de beeldcultuur.
Om
dat alles te bereiken moet de leerlingen een zo ruim mogelijk aanbod van
verhalend materiaal worden voorgeschoteld. In het literatuuronderwijs mag men
zich niet enkel beperken tot de geschreven literaire tekst, maar moet men zich
ook buigen over alles wat verhalend materiaal is. Daarbij denkt VON natuurlijk
aan theatervoorstellingen, poëzievoordrachten enz., maar ook aan andere
'beeld'verhalen zoals strip-, film- en televisieverhalen.
Voor
anderstaligen, of het nu om leerlingen van het regulier onderwijs of om volwassenen
gaat, is een beheersing van het Nederlands een belangrijke voorwaarde voor een
volwaardige integratie in onze samenleving en voor optimale kansen op onze
arbeidsmarkt. Het onderwijs van het Nederlands als tweede taal (NT2) moet dan
ook onder de meest gunstige omstandigheden plaats kunnen vinden: er moeten
voldoende cursussen ingericht worden om op de grote vraag te kunnen inspelen,
er moet aangepast lesmateriaal voorhanden zijn en leerkrachten moeten de kans
krijgen om zich bij te scholen op dit specifiek terrein.
In
het regulier onderwijs moet het ontstaan van concentratiescholen en
concentratieklassen worden tegengegaan: allochtone leerlingen leren het best en
het snelst Nederlands wanneer zij veelvuldig met moedertaalsprekers in
interactie kunnen treden. Bovendien is het zo dat de taalproblemen waarmee vele
allochtone leerlingen te kampen hebben ook een struikelblok vormen voor heel
wat autochtone leerlingen.
In
etnisch gemengde klassen vloeien NT1 en NT2 dan ook in elkaar over. Enkel voor
de allerprilste beginners (b.v. kinderen van politiek vluchtelingen) kan het
inrichten van speciale NT2-klassen worden verdedigd, zodat zij op korte termijn
kunnen worden klaargestoomd om in te stromen in het regulier onderwijs.
Wat
de didactiek betreft, moet NT2-onderwijs, zowel in het regulier als in het
volwassenenonderwijs, eerder taalvaardigheidsonderwijs zijn dan
taalkennisonderwijs. Niet een expliciete kennis van grammatische regels staat
centraal, maar wel de vaardigheid om de talige taken waarmee tweedetaalleerders
in de school en buiten de school worden geconfronteerd, daadwerkelijk uit te
voeren. Ook hierin verschilt NT1 niet van NT2: NT1 en NT2 duiden dus geen
aparte vakken of aparte didactieken aan, ze bakenen hooguit een primaire doelgroep
af.
Naast
NT2 moet ook de nodige aandacht worden besteed aan Intercultureel Onderwijs' (ICO). ICO speelt rechtstreeks in op
het multiculturele aangezicht van onze samenleving: het heeft tot doel
leerlingen respect bij te brengen voor andere culturen en andere levensgewoonten,
hen te leren hoe met mensen uit andere etnische groepen kan worden samengewerkt
en samengeleefd, en het voert antiracisme hoog in het vaandel. ICO mag niet
beperkt blijven tot scholen waar veel migranten zijn; het moet in alle scholen
zijn ingang kunnen vinden en geïntegreerd in de lessen aan bod komen.
Het
Dagelijks Bestuur (DB) van de VON leidt de vereniging en waakt over de
visie en de standpunten. Het DB organiseert allerlei studiedagen en
conferenties die bijdragen tot de bijscholing van haar leden en
geïnteresseerden. Hoewel het DB de promotionele en samenwerkingscontacten
onderhoudt met andere verenigingen en instellingen, is vooral het tijdschrift VONK,
dat wordt samengesteld door een Redactie, tot het externe gezicht van
VON geëvolueerd.
Eenmaal
per jaar wordt het beleid geëvalueerd door een Algemene Vergadering (AV)
die bestaat uit 'oude getrouwen', het DB en de redactie. Indien nodig is er
overleg mogelijk tussen het DB en de redactie in de Kernraad.
Het
DB legt samen met de AV de werkpunten vast voor het volgend werkjaar. Elk jaar
volgt er ook een evaluatie van de geleverde inspanningen op de AV.
Het
DB buigt zich over een aantal kernpunten die van belang zijn voor de goede
werking van de vereniging, zoals de financiën, promotie (publiciteit,
advertenties en ruilabonnementen), de organisatie van navorming en contacten
met andere verenigingen en instanties en vertegenwoordiging in beleidsorganen
of besturen.
Het
DB houdt ook het huishoudelijk reglement en de visie in het oog en neemt het
standpunten in over het moedertaalonderwijs.